route 3

Route 3  Gouda naar Schoonhoven


Haltes

1. Gouda (incl. Karnemelksloot)

2. Stolwijkersluis

3. Beijerscheweg

4. Stolwijk

5. Koolwijk

6. Bergambacht (incl. halte Huisweg)

7. Ammerstol

8. De Hem

9. Schoonhoven

poi 1.2. Gezicht op de Tiendewegspoort te Gouda.

poi 2.1. Kaart waarop de geoctrooieerde vervening is aangegeven (bron: Streekarchief Midden-Holland)

poi 3.1. Polderstructuren rondom Stolwijk, Groeneweg.

poi 3.2. Braakhut in de Krimpenerwaard (bron: Nationaal archief)

poi 4.1 Engelenraam bij een boerderij aan de benedenbergseweg in Stolwijk. 

poi 4.2 Houtstoven aan de Benedenkerkseweg

poi 6.1. Het kasteel 's Heer Aertsberg en de kerk van Bergambacht (bron: Rijksmuseum)

poi 7.1. Ammerstol. Prent van de dorpskern (bron: Rijksmuseum)

poi 7.2. Zalm wordt verkocht op de vismarkt (Bron: Rijksmuseum)

poi 8.2. Klooster De Hem

poi 9.1 Kaart van de vesting Schoonhoven (bron: Nationaal Archief)

Point of interest om over te stemmen


1.1 Aanvoer handelswaar over water

Plaats: Gouda

Adres: Karnemelksloot

Kenmerken: Waterloop

 

Achtergrond: Hobbelige, onverharde landwegen, die ook nog eens vol plassen en kuilen zaten. Vervoer over land was in de Middeleeuwen en nog lang daarna geen prettige manier om te reizen. De waterwegen daarom van groot belang als infrastructuur. De bloeiende stad Goud had vele monden te voeden en voedsel moest overwegend van het omringende achterland komen. Om deze toevoer te verbeteren werd rond 1600 de Karnemelksloot langs de Tiendweg vanuit Utrecht verbreed en voorzien van kaden. Via deze waterweg werd zuivel en groente aangevoerd, maar men moest ook niet vreemd opkijken als er een platte schuit met varkens langskwam die naar de markt werden gebracht. De Tiendewegspoort was speciaal toegerust op deze functie: door middel van twee waterpoorten kon men de stad binnen komen, waarna men tot diep in de stad kon komen via het ingenieuze watersysteem binnen de stad.

 

1.2 Tiendewegspoort, de stad Gouda

Plaats: Gouda

Adres: Houtmansplantsoen / Lange Thiendeweg

Kenmerken: Archeologische vondst

 

Achtergrond: Gouda was de op vijf na grootste stad in Holland. Van belang vanwege de ligging aan de monding van de Gouwe in de Hollandse IJssel en de gegraven verbinding met de Gouwe. Graaf Floris V verleende het plaatsje dat op deze strategische plek lag in 1272 stadrechten. Een stad op de grens tussen twee machtscentra, het graafschap Holland en het bisdom Utrecht, had een goede vesting nodig om zichzelf te kunnen verdedigen. Zeker binnen de tijd waarin men toen verkeerde. Aan de vooravond van de interne Hollandse twisten, tussen de Hoeken en Kabeljauwen. Holland was verdeeld en een rijke handelsstad moest zichzelf kunnen verdedigen. Daarom werd al in de 14de eeuw gestart met het aanleggen van de vesting, die tegen het einde van de 15de eeuw gereed is. Naast een strategisch gelegen kasteel aan de Hollandse IJssel wordt de stad, volgens de 17de-eeuwse stadskaart van Blaauw begrensd door dertig verschillende soorten poorten. De Tiendewegspoort bestaand al in de 14de eeuw en was een van de meest imposante poorten aan een oude tiendweg tussen Utrecht en Gouda. Deze en andere poorten werden bewaakt door poortwachters, die betaald werden door de Stad. In de toren werd rechtgesproken en mensen gevangengehouden.

 

2.1 De nooit uitgevoerde Geoctrooieerde vervening van de Krimpenerwaard

Plaats: Gouda

Plaats: Stolwijkersluis

Kenmerken: Schutsluis met vaarten rondom polder.

 

Achtergrond: Het Middeleeuwse verkavelingspatroon van de Krimpenerwaard is nooit verdwenen doordat er niet is uitgeveend en niet aan ruilverkaveling is gedaan. Toch is het een spelling van het lot geweest dat er nooit verveend is. In 1778 kwam er namelijk een initiatief voor de vervening van de Krimpenerwaard van Petrus Verhoeff, oud-baljuw, schout en secretaris van de vrije heerlijkheid van de Lek, Lekkerkerk en Zuidbroek. Het plan betrof 5500 morgen grond (ca. 4700 hectare) in het hart van de Krimpenerwaard. Het doel was het versterken van de welvaart. Het vervenen zou het bouwland kunnen verbeteren, meer werkgelegenheid betekenen en minder import van turf vanuit andere gebieden. Een groot economisch gewin voor alle partijen binnen het gebied. Petrus Verhoeff liet zijn plan adopteren door eenentwintig ingelanden en grondeigenaren, die het delegeerde aan drie stedelijke commissarissen. Samen zouden zij zich inzetten voor het Octrooi op vervening. Vanwege negatieve adviezen en politieke ontwikkelingen duurde het tot 1797 tot er een definitief positief besluit kwam voor de vervening van 2000 morgen land. Ondanks het kleinere oppervlakte werd er voortvarend van start gegaan. Tussen 1797 en 1804 werden sluizen gebouwd en ringvaarten aangelegd. Maar daar staakte het grootschalige vervenen door verschillende oorzaken. Niet alleen bleek achteraf dat de veenlaag dun was en matig van kwaliteit, maar bovenal was er sinds de planvorming veel veranderd: de nijverheid zat in een dip aan de vooravond van de industrialisatie en de landbouw en veeteelt was opgebloeid.

 

3.1 Leestekens van Middeleeuwse maakbare landschappen

Plaats: Krimpenerwaard

Adres: Beijerschebocht, Kruising Beijerscheweg, Goudseweg en Schenkel en vele andere plekken

Kenmerken: Dijklichamen, weteringen, kades, tiendwegen

 

Achtergronden: Na de laatste IJstijd verandert het landschap in een drassig en moerassig rivierestaurium met als gevolg de groei van metershoge veenpakketten. De belangrijkste reden om deze landschappen te ontginnen, is de bevolkingsgroei in de 10de eeuw. Er is behoefte aan voedsel en dus landbouwgrond. Vanuit de hoogste en droogste delen van het landschap, vaak de oevers van bestaande waterlopen, wordt gestart met het aanleggen van afwateringssloten, die het water uit het gebied afvoeren naar bestaande waterlopen. Het duurde jaren voor de grond sterk genoeg was om over te lopen of akkers aan te leggen. Het land werd in de tussentijd gebuikt voor veeteelt en verder ingericht. Om te voorkomen dat er water uit nog niet ontgonnen gebieden terugstroomde naar de ontgonnen gebieden, werden waterkerende kades en landscheidingen aangelegd. Brede wetering zorgden voor de afvoer van het water. Als deze maatregelen zorgden ervoor dat het land verder zakte dan men had verwacht en het begon weer te vernatten, waardoor extra maatregelen nodig waren. Dit leidde de aanvang in van de aanleg van sluisjes, verhoogde dijken en uiteindelijk ook molens. De Hollander werd gedwongen steeds verder te ontwerpen aan het veenweidegebied in het hart van Nederland. Dit heeft een leesbaar landschap met herkenbare lijnen opgeleverd. Maar na ruim negen eeuwen inklinking roepen nu nieuwe vragen op over hoe dit gebied nu nog droog kan worden gehouden. Van de metershoog boven N.A.P. gelegen veenkussen is weinig meer zichtbaar en na steeds opnieuw ingrijpen in de waterhuishouding heeft het landschap een dieptepunt ver onder N.A.P. bereikt

 

3.2. Hennepakkers

Plaats: Stolwijk en de hele Krimpenerwaard

Adres: Hennepakkers Stolwijk

Kenmerken: Hennepakkers geheel verdwenen. Soms nog herkenbaar aan smalle opgehoogde percelen naast de boerderij.

 

Achtergrond: Het landschap werd op vele manieren gebruikt. Niet alleen ten behoeve van de voedselvoorziening, maar ook als productieplaats voor grondstoffen voor andere bedrijfstakken.

Een van de belangrijkste bronnen van inkomsten voor de boeren in de Krimpenerwaard was de productie van hennep. De basis voor een groot aantal producten, zoals touw (voor onder andere de scheepvaart), stoffen en olie (voor zeep). De metershoge hennepplanten gaven het landschap zomers een besloten karakter. Hoewel de akkers dicht bij de boerderijen lagen, lagen de braakhutten diep in de polder. Het gewas kon lang naast de veeteelt floreren doordat het uitermate goed tegen natte voeten kan. Binnen een zich steeds verder vernattende polder een handige eigenschap.

 

3.3 Eenden als bron van inkomsten

Plaats: Stolwijk, Beijerscheweg

Adres: Oostelijk van de Goudseweg in depolder Laag Bilwijk, één complete en ten westen daarvan de restanten van een tweede eendekooi.

Kenmerken: Eendekooien zijn herkenbaar aan een ruim bebost perceel met een waterpartij.

 

Achtergrond: Het regt op eendekooijmoest volgens een door Karel V uitgevaardigd plakkaat (1555) worden aangevraagd. Het recht omvatte twee aspecten: het recht op het mogen vangen van eenden en op het recht rondom de eendekooi rust te eisen. De eendenkooien in dit deel van het land hoorden vaak bij boerderijen en werden alleen in de zomer of de winter gebruikt voor de vangst. De Stolwijkse eendenkooi was aan het begin van de 19de eeuw eigendom van een Stolwijkse metselaar. Het is een zomerkooi van bescheiden omvang. Oorspronkelijk voorzien van maar drie vangpijpen. De kooijker ving samen met zijn hond de eenden en verkocht ze aan de poelier. In de Krimpenerwaard liggen verschillende eendekooien, die vanaf de 13e en 14e eeuw in opkomst waren. De verbeterde waterbeheersing van de polders leidde tot de afname van het aantal kooien. Ze kwamen simpelweg droog te staan. In de tegenwoordige tijd hebben de eendekooien niet alleen een functie voor de vangst van consumptie-eenden, maar bovenal een ecologische waarde.

 

4.1 Zuivel in de waard

Plaats: Stolwijk

Adres: De polders in de Krimpenerwaard

Kenmerken: Grasland en koeien in de wei

 

Achtergrond: Vanaf het midden van de 16e eeuw wordt het landschap in Zuid-Holland steeds natter. De steeds verder inklinkende bodem maakt akkerbouw zo goed als onmogelijk. Noodgedwongen wordt overgegaan op veeteelt. Het landschap verandert hierdoor naar een overgrote meerderheid aan weilanden. Op zich geen slechte keuze, want de Goudse of Stollukse kaas zou wereldberoemd worden. Kaas wordt al gemaakt sinds ver voor onze jaartelling. Daarover meldt Ceasar al in zijn dagboek, maar de kaas uit deze regio groeit door. Vanaf de Middeleeuwen neemt de belangstelling in de Hollandse kaas toe om in de Gouden Eeuw nog verder te groeien. Door de wijze van kaas maken en de lange houdbaarheid is deze ook geschikt om de exporteren. Maar ook als voedsel aan boord van de handelsschepen is de kaas zeer geschikt. Dit vergrote de vraag naar kaas en het aantal zuivelboederijen. Dit vertaalde zich door naar de inrichting van de boerderijen, die geheel werden ingericht voor dit doel, met ruimten als kaaskamers, melkkelders, spoelkeukens, e.d. Vanaf het midden van de 19deeeuw is de zuivelhandel zeer bloeiend, waardoor de boeren in de Krimpenerwaard rijker worden. Ook dit vertaalt zich direct door naar een nieuw kenmerk in de architectuur, het ‘engelenraam’ in de voorgevel.

 

4.2 Het agrarische landschap

Plaats: Stolwijk en omgeving

Adres: De polders rondom Stolwijk

Kernmerken: Erfbeplanting,Pestbosjes, kaden, houtstoven, geriefhout en andere landschappelijke elementen.

 

Achtergrond: Het historische agrarische landschap was een gemaakt en functioneel landschap. Alles wat we om ons heen zien, had een rol en was van betekenis. Bomen waren niet bedoeld om het landschap aan te kleden en om sfeer te creëren. Hout was een waardevol product dat veel geld op leverde. Er waren vele functies aan de groene inrichting in het landschap toebedeeld. Soms puur functioneel, zoals de erfbeplanting op de erven rondom de boerderijen en soms als grondstof voor het maken van gereedschappen, hekwerken en hutten. Het landschap was door het, inmiddels veel verdwenen groen, divers. Niet alleen in uiterlijk, ook in biodiversiteit was er daardoor veel te beleven. Het kennen van de historische betekenis van de inrichting van het landschap biedt inspiratie voor hedendaagse vragen ten aanzien van biodiversiteit en inrichting.

 

5.1. Copes-ontginningen

Plaats: Bergambacht

Adres: Benedenberg, Molenlaan, Tussenlanen en Bovenberg

Kenmerken: Historisch polderlint met overwegend agrarische bebouwing en maatcaste percelen.

 

Achtergrond: De vroegste ontginningen van de polders rondom Bergambacht dateert uit de 11e tot en met de 13e eeuw. In de vroege ontginningen is sprake van Copes-ontginningen. Deze ontginningen werden uitgevoerd in opdracht van de landsheer op basis van een vooraf vastgelegde maatvoering. In de polder Bovenberg en Benedenberg kregen deze een diepte van 1500 meter. De ontginningswijze is afleesbaar aan de ligging ten opzichte van de Lek. De opgeslibde oevers van de Lek werden gebruikt als ontginningsbasis. Vanaf daar werden de ontginningen gestart. Op de kaart van de polders is goed te zien dat de achterkade, het einde van de eerste ontginning, de slingerende lijn van de rivier volgt. Het bewijs dat de polderlinten op basis van een vaste maat zijn uitgezet en de polderlinten een nauwe relatie met de rivier hebben.

 

6.1 Waar mammoeten struinden kon een dorp ontstaan

Plaats: Bergambacht

Adres: Kerkplein en Terreplein

Kenmerken: Respectievelijk verhoogd gelegen begroeid plein met kerk en een omsingeld gebied met nieuwbouw, archeologische vondsten.

 

Achtergrond: De donken van Bergambacht zijn restanten van de ijstijd, waarin poolwinden het droge landschap teisterden. Aan de luwe zijde van de rivier werden zandduinen opgeworpen door de wind. In dit landschap liepen mammoeten rond. Het einde van de IJstijd werd ingeluid door een snelle klimaatverandering. Het gebied veranderde in een moeras, waar rondom de donken dikke veenpakketten ontstonden waar geen mammoet meer over kon lopen. De donken bleven, soms boven het maaiveld uitstekend, bestaan. De ideale plaats voor de eerste bewoners van ons landschap. De droge duinen boden plaats aan tijdelijke kampen van jagers en verzamelaars en later aan de eerste Middeleeuwse bewoners.  In Bergambacht zijn drie donken, waarvan er twee bewoond werden. Op de eerste, ter plaatse van het huidige Terreplein, werd in de 12de eeuw een kasteel gebouwd: 's Heer Aarts berg. Op de tweede donk, ter plaatse van het Kerkplein, werd een dorpsdonk. Onder de bescherming van het kasteel ontstond hier een nederzetting rondom een kerk. De kerk op de top van de donk en de boerderijen aan de randen.

 

6.2. Industrialisatie langs de Lek

Waar: Bergstoep

Adres: Lekdijk

Kenkenmerken: Oude fabrieksgebouwen en oude veer

 

Achtergrond: Bergstoep was een belangrijks schakel in de infrastructuur tussen Gouda en Gorinchem. Vanaf hier ging een voetveer naar de Alblasserwaard dat in 1869 werd opgewaardeerd naar een pontveer, zodat ook rijtuigen konden worden overgezet. Rondom de het veer was slechts beperkt bebouwing aanwezig. Dat veranderde in de vroege 20ste eeuw. De industrie uit Bergambacht verhuisde naar de Bergstoep. Deze economisch gunstige positie aan het water scheelde veel kosten voor vervoer van grondstoffen en gerealiseerde producten. Er kwamen onder andere een veevoederbedrijf en een (stoom)timmerfabriek. Later zouden meerdere bedrijven aan de Lekoevers volgen, waardoor de oevers langs de gehele Lekdijk een industrieel karakter hebben gekregen. Soms afgewisseld met een fraaie directeursvilla.

 

7.1. De stad Schoonhoven ontstond door Ammerstol

Plaats: Ammerstol

Adres: Dorpskern

Kenmerken: Historische bebouwing langs de Lek

 

Achtergrond: In de 12de eeuw heette het dorp Ammerstol Theloneum suum Ambers, ofwel de tol onder Ambers. Waarbij Ambers (= of Ammer) een verwijzing is naar de rivier. De tol was toen al langere tijd aanwezig. Het bracht het dorp grote rijkdom. In 1322 krijgt het daarom van de Graaf van Holland stadsrechten. Dit levert hen de mogelijkheid op week- en jaarmarkten en eigen parochiekerk. Ammerstol besluit op basis van de kosten niet alle rechten die bij de stad horen te gebruiken. De bloei van Ammerstol stort vervolgens ineens in als in 1401 blijkt dat Albrecht van Beieren het tol naar Schoonhoven heeft verplaatst. Dit betekent een groei van de Schoonhovense economie ten koste van het kleinere, maar strategisch gelegen Ammerstol. De armoede wordt echter zo groot dat Jacoba van Beieren aan de burgers van Ammerstol vrijheid van alle tollen in Henegouwen verschaft. Een recht dat velen graag hebben. Ook burgers uit andere dorpen komen naar Ammerstol om het burgerschap te kopen met het daarbij behorende rechten op vrije toldoorgang. Hierdoor neemt de groei van Ammerstol tijdelijk weer toe. Schoonhoven kon eeuwen groeien en bloeien ten koste van het benadeelde Ammerstol. Het zou tot het einde van de 18e eeuw duren voor Ammerstol opnieuw zou opbloeien door het terugbrengen van de visafslag naar het dorp. 

 

7.2. Ammerstol als centrum van de zalmvisserij

Plaats: Ammerstol

Adres: Lekdijk en omgeving

Kenmerken: Verdwenen elementen met als enige tastbare herinnering het oude postkantoor

 

Achtergrond: De Lek is een getijderivier. Het ooit zo schone water was daardoor een ideale rivier voor riviervissen als steur en zalm. Boten met zalm voeren af en aan en hoewel we nu van een delicatesse spreken was het destijds allemanskost, waar niet iedereen over te spreken was. In advertenties voor dienstbodes werd aangegeven dat bij indiensttreding niet meer dan twee keer per zalm hoefde te worden gegeten. Ammerstol was één van de meest bloeiende handelsdorpen voor zalm. Het leverde hen een visafslag op en later een eigen post- en telegraafkantoor. Maar al vanaf de 18de eeuw zag men de visstanden teruglopen en vroeg men zich bezorgd af wat de reden kon zijn. De laatste vis werd in 1921 gevangen. De Lek was vervuild en de zalm verdween, net als de welvaart.

 

7.3. De Plaat en het Buitenland

Plaats: Tussen Schoonhoven en Ammerstol

Adres: Langs de Hogedijk

Kenmerken: Eilanden voorzien van ruige begroeiing

 

Achtergrond: In de buitenbochten van de rivier schuurde de rivier bij hoog water langs de oevers en maakte brede bochten. Tijdens laag water werden hier sedimenten afgezet, waardoor kleine buitendijkse eilanden ontstonden. De begroeiden met riet en bomen. In de winter en lente stond het water hoog en waren het natte gebieden. Ook dit landschap werd door de mensen uit het gebied in gebruik genomen. Boeren uit het gebied kochten de gronden en oogsten het riet en hout om te gebruiken voor het maken van houten gereedschappen, manden, zittingen van stoelen. Hierdoor was er vraag naar grienders, biezenmatters en rietsnijders. Het gebied werd vanaf 1883 gebruikt door een steenfabriek aan De Hem voor kleiwinning.

 

8.1. Het wiel bij de Hemstoep

Plaats: Ten westen van Schoonhoven

Adres: Hogedijk ter hoogte van 44

Kenmerken: Grote binnendijkse waterplas en buitendijkse rietlanden

 

Achtergrond: Om 7 uur 's avonds op 21 januari 1726 kwam rampspoed over de Krimpener- en Lopikerwaard. Op die betreffende avond brak de dijk door na een herfst vol regenval en een op dat moment strenge vorst. Het gat besloeg een breedte van ca. 90 meter (zo'n 25 roeden) en een diepte van circa 9 tot 11 meter (30 a 40 voeten) diep. Het water stroomde naar het diepste punt van de polders, zoals bij Stolwijk en Berkenwoude. In Jaarsveld stond het water zelfs drie duimen boven de klok van de kerk. Er zullen vele doden te betreuren zijn geweest. Na enkele jaren werd de dijk weer gesloten om het water van de Lek weer tegen te houden. Hierbij werd het wiel dat door de sterke stroming van de doorbraak was ontstaan binnendijks gehouden. 1726 was niet de eerste doorbraak en zou ook zeker niet de laatste zijn. De wielen die binnendijks kwamen te liggen, zijn nog steeds overal langs de Lek en de IJssel te zien en getuigen van een zwaar gevecht tegen het water. De wielen brachten soms ook nieuwe mogelijkheden. Het werd een moerassig gebied waarlangs riet groeide, dat kon worden geoogst. Op andere plekken werden de wielen in gebruik genomen als eendenkooi.

 

8.2. De Hem

Plaats: Schoonhoven

Adres: Ten Zuiden van de C.G. Roosweg t.p.v. De Hem

Kenmerken: Archeologische resten. Bovengronds niet direct herkenbaar.

 

Achtergrond: Ten westen van de stedelijke bebouwing van Schoonhoven, tussen voormalige C.G. Roosweg en de Lek, lag het St. Michaelsklooster. Het klooster behoorde tot de parochie van Bergambacht, maar werd gesticht door vrome Schoonhovenaren met toestemming van de heer Jan van Blois. De plaats waar dit klooster in 1396 werd gebouwd was in gebruik als boomgaard en was onderdeel van een klein, Middeleeuws buurtschap aan een verbindingsweg die vanaf de Lekdijk naar de zij-ingang van het klooster liep, de Hemstoep. De gemeenschap van broeders bestond uit losse huisjes rond een kapel.Na een brand werd in 1407 de grondslag gelegd voor een klooster. Men noemde het klooster terloops: de Broeders in de Boomgaard of Broeders in de Hem.  Eind 15e eeuw werd het klooster door de bliksem getroffen en brandde het geheel af. Met geld van de verkoop van boeken en particuliere giften werd het weer herbouwd. In de 80-jarige oorlog werd het klooster bezet, de broeders gekneveld en brandde het wederom helemaal af. Daarna is het klooster nooit meer herbouwd.

 

9.1. Vesting/ Oude Hollandse Waterlinie

Plaats: Schoonhoven

Adres: Groene Singel, Spoorsingel, Nieuwe Singel, Lopikersingel, Langerakkerweg,

Wal, oostzijde begraafplaats

Kenmerken: Duidelijk herkenbare lijnen in het landschap

 

Achtergrond: De stadsrechten die Schoonhoven in 1300 van Graaf Jan II kreeg waren de reden voor het aanleggen van een omwalling. In de Tachtigjarige Oorlog bleek de omwalling geen stand te houden. Daarom werd in 1582 gestart met de aanleg van verbeterde versterkingen rondom de stad. Er werden aan de oost- en de zuidzijde diverse bolwerken en tussenliggende omwallingen aangelegd. De uitbreiding van de bolwerken aan de noord- en westzijde van Schoonhoven vond plaats naar aanleiding van het rampjaar 1672 en werden in 1673 voltooid. Om zich te beschemen tegen de Franse aanvallers stelden de Hollanders in alle snelheid een de (Oude) Hollandse Waterlinie in, die een bestond uit vestingen en schansen en daartussen land dat onder water gezet kon worden. Schoonhoven werd een van de vestingen in deze verdedigingslinie. Tot aan het einde van de 17de eeuw werd aan de vesting gewerkt. De ravelijnen werden pas ver in de 18de eeuw afgerond. De vesting is aangelegd volgens het Oud-Hollands stelsel. De ontmanteling van de vesting begon aan het einde van de 19e eeuw, maar is nog steeds bepalend voor de inrichting van Schoonhoven. 

 

Colofon | Ontwerp, realisatie en fotografie: Linda Driesen - van der Male.Verder staan er op deze site afbeeldingen uit het gemeentearchief Den Haag en Voorschoten |  Disclaimer